In November schrijf ik een boek

Het is November en dat betekent NaNoWriMo, National Novel Writing Month. Zie mijn blog van vorig jaar voor meer uitleg. Net als de afgelopen vijf jaar, doe ik weer een poging een boek te schrijven deze maand.

In 2009 schreef ik tijdens November de eerste versie van Het Verloren Volk. Het was pas een paar jaar later dat ik er genoeg aan gesleuteld had om er tevreden over te zijn, maar zonder NaNoWriMo was die eerste versie er nooit gekomen.

De verhalen van de jaren daarna vind ik (nog) niet goed genoeg voor publicatie in boekvorm, maar dat kan nog komen.

Vorig jaar werd al na twee dagen duidelijk dat ik de 50.000 woorden niet zou halen. Ik had het veel te druk met voorbereidingen voor de publicatie van Het Verloren Volk op 22 november 2012. Dat was een hoop werk, maar hartstikke leuk. Dus dat NaNoWriMo er een keer bij inschoot, vond ik helemaal niet erg.

Dit jaar ga ik er weer vol voor. Mijn verhaal speelt in een boekenwinkel, met de naam Het Boekenhoekje. Die naam zal vast nog veranderen, want erg origineel is ie niet. De eigenaresse van de winkel, Gina, heeft besloten als promotiestunt de winkel 24 uur achter elkaar open te houden.

Het verhaal duurt dus precies 24 uur. In die tijd zijn er feestelijke activiteiten en komen er onverwachte bezoekers langs. Zoals de nette schrijver Fernando, die Gina vaag bekend voorkomt, maar waarvan?

Maar er zijn ook eenzame nachtelijke uurtjes waarin Gina in stoffige oude boeken op achterste planken duikt, waar ze wel eens een verrassing tegen kan komen.

Gelukkig krijgt ze overdag hulp van haar medewerkers, de studenten Alexander en Eline, die parttime in de winkel en het koffiehoekje werken, en Jan, de gepensioneerde leraar Nederlands die graag tussen de boeken staat. Ook Gina’s zoon Robin en Jans kleindochter Laura helpen een handje mee tijdens de marathondag.

Inmiddels ben ik 12.000 woorden ver en beginnen de personages lekker te leven. Ik heb nog niet besloten wat er allemaal nog gaat gebeuren in het Boekenhoekje, dus suggesties zijn welkom!

P.S. Ook mijn wekelijkse 120 woorden verhalen zullen deze maand in het teken staan van Gina en haar Boekenhoekje. Zo schreef ik deze week Retour.

 

 

De Verdwenen Huizen van Voorburg

In de Van Duvenvoordelaan in Voorburg springen de huisnummers in één keer van 130 naar 202. Die twee huizen staan stevig tegen elkaar. Er is geen enkele mogelijkheid dat daar ooit een huis – laat staan een hele flat – tussen heeft gepast. Hoe is dit dan ontstaan? Zolang het me niet lukt om de waarheid te achterhalen, kan ik wel een achtergrondverhaal bedenken…

Het is februari 1931. Na een flinke vorstperiode kan er eindelijk weer gebouwd worden. Intussen zijn de huizen aan het begin van de straat al bewoond. Dat deel was af voordat de vorst inviel. De bewoners hebben dus alle tijd gehad om in hun gloednieuwe huizen te trekken. Alleen de bouw van de laatste 34 huizen is door de vorst uitgesteld.

Maurice en zijn ploeg steken de handen flink uit de mouwen, zodat ook de resterende huizen over een paar maanden bewoonbaar zijn. Maar ze zijn nog geen twee uur bezig als Maurice een telefoontje krijgt van de baas. Het geld is op, de bouw wordt stilgelegd.
Ze moeten wachten op nadere instructies, dus halen ze een snack en gaan op het stoeprandje zitten kijken naar het gapende gat. In de huizen aan het begin van de straat zitten enkele mensen lekker aan tafel. De meeste huizen zijn leeg zo midden op de dag, maar de gezellig ingerichte huiskamers zien er uitnodigend uit.

Helemaal aan het andere eind van de straat staat ook een huizenblok. Het pand van de snackbar op de hoek kreeg voorrang, omdat de ondernemer geld moest verdienen. Bovendien vonden de werklui het zelf ook een goed idee als de snackbar alvast kon openen. Dus de snackbar en de twee portieken die daaraan vastzitten, staan al even mooi te glimmen als de hele rij huizen aan het begin van de straat. Alleen daartussenin ligt nog een grote bouwput.

Al snel komt het beslissende telefoontje. De huizen worden niet afgebouwd. Ze zijn niet verkocht en leveren dus geen cent op. ‘De boel opruimen’ is de opdracht.
Maurice staat even beteuterd te kijken naar de puinhoop midden tussen de mooie huizen en portieken. Dan haalt hij zijn schouders op en stapt hij in een werkwagen. Hij tuft naar het begin van de straat, plaatst de shovel voorzichtig tegen de zijgevel van nummer 2 en geeft gas. De banden gieren, de fundering kraakt, maar dan komt het huizenblok in beweging.

Tien minuten later klapt hij tevreden in zijn handen terwijl hij het resultaat bekijkt. De mevrouw op nummer 88, die rustig de krant had zitten lezen, staat hem met open mond aan te kijken. De bewoner van nummer 114 komt naar buiten gerend. ‘Wat doe jij nou?’ schreeuwt hij.
‘Opruimen,’ antwoordt Maurice eenvoudig.
De man kijkt om en ziet de rij huizen keurig tegen de portiekflats aan staan. ‘De hele straat is af,’ zegt hij verbijsterd.
‘Precies.’
Maurice en zijn mannen ruimen de laatste rommel op, pakken hun spullen, waaronder de huisnummerbordjes van 132 tot en met 200, en rijden voldaan naar de volgende klus.

 

 

Wij Hollanders

Ik fietste vandaag langs een huis dat versierd was met rood-wit-blauwe slingers, ballonnen en vlaggen. Doordat ik daar nieuwsgierig naar keek, fietste ik bijna tegen een geparkeerde auto aan, ook helemaal behangen met rood-wit-blauw.

Geschrokken vroeg ik me af of vandaag een Nederlandse feestdag is. Of is er een sportevenement waar ik me niet van bewust ben? Maar nee, niets van dat alles. Het zal gewoon een enthousiaste Nederlander zijn. Of misschien wel een Nieuwe Nederlander die viert dat hij geslaagd is voor zijn inburgeringscursus.

Wat zijn we de laatste tijd trots op ons land. De best scorende tv-programma’s zijn Ik Hou van Holland en The Voice of Holland. Toen de Belgische koning aftrad, wisten we zeker dat hij dat idee van onze koningin had afgekeken. En we stonden allemaal op onze achterste benen toen het Droomboek voor de nieuwe koning niet in Nederland, maar in Duitsland gedrukt werd.

Bedrijven haken massaal in op deze vaderlandsliefde door NL achter hun naam te zetten. Er zijn krasloten te koop met de naam Holland Krassen, compleet met afbeeldingen van klompen, molens en tulpen. De nieuwste mobiele telefoonaanbieder heet Hollands Nieuwe. De nieuwste energie-aanbieder is Hollandse Wind. Jawel, energie uit wind, want daar hebben wij zo lekker veel van.
Het wij-gevoel stijgt tot hoogtes die vroeger alleen tijdens een internationaal voetbaltoernooi bereikt werden.

Maar waarom zijn we zo trots op ons landje? Diezelfde trotse Hollanders klagen het hele jaar over de regen en brengen het liefst de hele zomer door op een Franse camping of aan een Spaanse Costa.

Alleen al het feit dat we onszelf Hollanders noemen, getuigt van weinig vaderlandskennis. Dat je een Amerikaan moet uitleggen dat het The Netherlands moet zijn, is nog tot daar aan toe. Maar als wij Nederlanders het zelf ook al niet meer weten, is het goed mis.

Op onze eigen taal zijn we ook niet zo trots als we beweren. Er sluipen elke dag meer Engelse woorden in onze spreektaal. Hoe Nederlands is een programma dat The Voice of Holland heet?

Ik schrok op uit mijn gedachten toen er een vrouw uit het rood-wit-blauw versierde huis naar buiten kwam met een zak drop in haar handen. Ze zag mij naar de slingers kijken.
‘Mijn dochter komt vandaag thuis na twee maanden backpacken in Australië,’ legde ze uit.
Ze sprong de versierde auto in, mij achterlatend met de vraag waarom dat meisje niet met een rugzak maar met een backpack reist.

 

 

 

Kort verhaal: Losse Handjes

In het kader van de Kinderboekenweek, een sportief kort verhaal rond het thema Klaar voor de start!

Losse handjes

Bart slingert het breekijzer een paar keer van achter naar voren en laat dan los.
‘Zes meter vierentwintig. Niet slecht, jongen,’ zegt de docent die zich hiervoor heeft laten strikken.
‘Ik had zes meter achtentwintig,’ meldt Vincent.
‘Nou en?’ gromt Bart. ‘Ik had vier kilo meer bij het buitslepen.’
‘Jullie mogen door naar het volgende onderdeel, de obstakelbaan.’

De jongens kruipen onder een strakgespannen touw door en stappen voorzichtig over een andere. Beiden houden hun adem in. Dan klinkt het alarm en een vloek van Vincent.
‘Bart is de winnaar!’

Vincent vliegt Bart aan en timmert hem op zijn neus.
‘Jongens, jongens. Boksen is geen onderdeel van de sportdag,’ zegt meneer Bak, adjunct-directeur van het Cleptacollege Voor Veelbelovende Criminelen, streng.

 

Dit verhaal heeft precies 120 woorden. Meer 120 woorden verhalen lezen? Op 120w.nl staat elke week een nieuwe van mij, en nog veel meer van andere schrijvers.

 

Column: Enge Mannen

Alle mannen zijn engerds. Tenminste, als je het oordeel van de gemiddelde tramreizigster moet geloven. Gisteren zag ik het weer. Ik stapte in een redelijk volle tram. Er was nog een plaats vrij naast een man. Een vrouw met een koffer stond naar de te plek kijken. Ze keek verder om zich heen, wierp nog één blik op de man en bleef toch staan. Mooi voor mij. Ik nam naast hem plaats.

Een paar haltes verder stapte de man uit. Meteen nam de vrouw met de koffer plaats naast mij. Hoe had de vrouw besloten dat de man een engerd was? En belangrijker nog: hoe had zij besloten dat ik geen engerd was?

Nu ik er op ben gaan letten, zie ik het overal. Waar zouden vrouwen toch bang voor zijn? Dat de man het ziet als een uitnodiging om haar te versieren?

Tot mijn eigen verbazing doe ik het zelf ook. Als ik kan kiezen uit een plek naast een vrouw of een man, kies ik de plek naast de vrouw. Het blijkt ook niks uit te maken welke nationaliteit iemand heeft, wat iemand aanheeft, hoe breed iemand zit. Alleen maar man of vrouw. Zo simpel is het beoordelingsvermogen van een vrouw.

Een man lijkt dat heel anders aan te pakken. Ik heb onze mannelijke medereizigers eens even in de gaten gehouden en ontdekt dat mannen nog veel simpeler zijn dan vrouwen. Als een man wil zitten, ploft hij gewoon neer op de eerste de beste plaats die hij ziet. Naast een vrije stoel, naast een man of naast een vrouw; hij ziet het niet eens. Hij zit lekker, dus hij is tevreden.

Nu ik weet dat de gemiddelde man zich totaal niets aantrekt van wie er naast hem zit, snap ik niet waarom vrouwen er zo’n punt van maken om naast die man te gaan zitten. Het zal hem een zorg zijn. Dus laten we gewoon lekker makkelijk doen en op de dichtstbijzijnde stoel gaan zitten.

Vanmorgen stapte ik vol goede voornemens in de tram. De dichtstbijzijnde stoel dus. Op de stoel ernaast zit een man me heel intens aan te staren. Maar ik had het me voorgenomen. Ik had een theorie uitgewerkt… Met een zucht loop ik toch door naar de volgende stoel. Als ik mijn boek opensla, knik ik naar de vrouw naast me. Ze glimlacht even en verdiept zich weer in haar boek. Ik werp een blik op de kaft. Mannen komen van Mars.

 

 

Delfts sprookje

Op 7 september 2013 is het de Delftse Dag van het Schrijven. Elk jaar tijdens de Week van het Schrijven organiseert de VAK (Vrije Academie voor de Kunsten) deze dag vol schrijfactiviteiten. Daarbij hoort ook de schrijfwedstrijd, waarin ik vorig jaar de tweede prijs behaalde met mijn dialoog Er was eens inspiratie. Dit jaar was het thema Delftse Dingen. Mijn inzending haalde geen nominatie, dus kun je mijn sprookje nu hier lezen.

Glazen Hart

Er was eens een meisje met blauwe haren. Ze heette Lila en kon uren bij de rivier zitten. Haar zusjes hielden niet van het water, dus kon Lila daar ontsnappen aan de drukte van haar familie.

Op een dag zat ze weg te dromen bij de zonnestralen die met het water mee dansten. Een zomers briesje deed haar blauwe haren wapperen. Ineens werd haar rust verstoord door een jongen die uit het bos kwam lopen en zomaar naast haar kwam staan. Ze keek op, maar omdat de zon van achter hem kwam, zag ze alleen een silhouet.
‘Mooi is het hier, hè?’ klonk zijn stem.
Lila haalde haar schouders op en keek weer naar het water. De jongen trok zich daar niets van aan en ging naast haar zitten.
‘Ik zie je hier elke dag zitten.’
‘Heb je me begluurd?’ vroeg Lila scherp, terwijl ze hem eindelijk aankeek. Heel even merkte ze zijn donkere krullen en ogen op, maar toen ging haar blik naar zijn borst. Daar was een hartvormige bult te zien, die een zwak licht uitstraalde. Lila kon haar ogen niet afwenden. Het leek alsof zijn hart uit zijn borst probeerde te springen.
‘Wat is er met je hart?’ vroeg ze.
De jongen haalde zijn schouders op. ‘Het doet al een paar dagen zo.’
‘Doet het pijn?’ vroeg Lila bezorgd.
‘Nee, nu niet. Soms wel.’
Lila vond het maar vreemd. Ze was opgelucht toen hij even later weer opstapte.

(meer…)