Column: Enge Mannen

Alle mannen zijn engerds. Tenminste, als je het oordeel van de gemiddelde tramreizigster moet geloven. Gisteren zag ik het weer. Ik stapte in een redelijk volle tram. Er was nog een plaats vrij naast een man. Een vrouw met een koffer stond naar de te plek kijken. Ze keek verder om zich heen, wierp nog één blik op de man en bleef toch staan. Mooi voor mij. Ik nam naast hem plaats.

Een paar haltes verder stapte de man uit. Meteen nam de vrouw met de koffer plaats naast mij. Hoe had de vrouw besloten dat de man een engerd was? En belangrijker nog: hoe had zij besloten dat ik geen engerd was?

Nu ik er op ben gaan letten, zie ik het overal. Waar zouden vrouwen toch bang voor zijn? Dat de man het ziet als een uitnodiging om haar te versieren?

Tot mijn eigen verbazing doe ik het zelf ook. Als ik kan kiezen uit een plek naast een vrouw of een man, kies ik de plek naast de vrouw. Het blijkt ook niks uit te maken welke nationaliteit iemand heeft, wat iemand aanheeft, hoe breed iemand zit. Alleen maar man of vrouw. Zo simpel is het beoordelingsvermogen van een vrouw.

Een man lijkt dat heel anders aan te pakken. Ik heb onze mannelijke medereizigers eens even in de gaten gehouden en ontdekt dat mannen nog veel simpeler zijn dan vrouwen. Als een man wil zitten, ploft hij gewoon neer op de eerste de beste plaats die hij ziet. Naast een vrije stoel, naast een man of naast een vrouw; hij ziet het niet eens. Hij zit lekker, dus hij is tevreden.

Nu ik weet dat de gemiddelde man zich totaal niets aantrekt van wie er naast hem zit, snap ik niet waarom vrouwen er zo’n punt van maken om naast die man te gaan zitten. Het zal hem een zorg zijn. Dus laten we gewoon lekker makkelijk doen en op de dichtstbijzijnde stoel gaan zitten.

Vanmorgen stapte ik vol goede voornemens in de tram. De dichtstbijzijnde stoel dus. Op de stoel ernaast zit een man me heel intens aan te staren. Maar ik had het me voorgenomen. Ik had een theorie uitgewerkt… Met een zucht loop ik toch door naar de volgende stoel. Als ik mijn boek opensla, knik ik naar de vrouw naast me. Ze glimlacht even en verdiept zich weer in haar boek. Ik werp een blik op de kaft. Mannen komen van Mars.