Verhaal

De zeven dwergen en Sneeuwwitje

Er was eens een klein huisje, midden in het bos. In dat huisje woonden de zeven dwergen: Doc, Grumpie, Stoetel, Giechel, Niezel, Dommel en Bloosje. Op een avond, als het werk er weer op zit, zitten ze allemaal bij elkaar in de eetkamer. Grumpie kijkt uit het raam van het huisje.
‘Het is toch niet eerlijk?’ zegt hij tegen niemand in het bijzonder. Doc, die net vlak achter hem langs door de eetkamer loopt met zijn handen vol haardhout, is de enige die hem hoort. De andere dwergen zitten ook in de kamer, maar Niezel moest net niezen op het moment dat Grumpie sprak. Doc legt het hout neer en gaat naast Grumpie voor het raam staan.
‘Wat is niet eerlijk?’ vraagt hij, al weet hij eigenlijk al waar Grumpie het over heeft.
‘Sneeuwwitje, pardon, ik bedoel Prinses Sneeuwwitje, Hare Koninklijke Hoogheid,’ zegt Grumpie overdreven.
‘Grump! Zo praat je toch niet over onze lieve Sneeuwwitje. Ben je soms vergeten wat ze allemaal voor ons gedaan heeft?’
‘Nee hoor, maar zij is wel vergeten wat wij allemaal voor haar hebben gedaan, hè?’
(meer…)

Op zoek naar Anna

Met twee handen wrijft Maarten de slaap uit zijn ogen. Meteen komen de gebeurtenissen van gisteravond weer boven. Waarom was het toch weer misgegaan? Hij had echt gedacht dat het deze keer anders was.
Toen hij Sabine leerde kennen, dacht hij dat alles anders zou zijn. Zijn vorige twee relaties waren ook al na een maand gestrand. En al wil Maarten het niet graag toegeven, hij weet wel dat het beide keren om dezelfde reden was misgegaan. Nu kan hij nog steeds niet geloven dat hij het weer heeft laten gebeuren. Weer heeft hij een leuke relatie met een geweldige vrouw mis laten lopen om diezelfde stomme reden: Ze is niet Anna.
Met een bak sterke koffie loopt Maarten door de huiskamer. Hij kijkt uit het raam naar de appartementen aan de overkant van de straat. Alleen linksonder brandt al een licht. Een man en een vrouw zitten samen aan tafel te ontbijten. Maarten zucht en loopt weg van het raam. Hoe was het toch weer zover gekomen?

(meer…)

De leugen regeert

Aan het gepiep van de deur hoort Connie dat Hans thuiskomt. Zonder zijn gebruikelijke ‘Hai schat!’ loopt hij de gang in, hangt zijn jas aan de kapstok en loopt de huiskamer in. Zoals gewoonlijk komt Connie naar hem toe om hem te groeten, maar als ze zijn bedrukte gezicht ziet, stopt ze abrupt. ‘Is er wat?’ vraagt ze haar man. Hij knikt alleen maar. Hij kijkt haar maar even aan en buigt dan zijn hoofd.
Zwijgend lopen ze naar de ronde eettafel. Ze gaan ieder op hun vaste plekje zitten. Hans kijkt naar zijn handen, terwijl Connie geduldig probeert te wachten. Ze kijkt naar het schilderij aan de muur naast de eettafel. Het schilderij is gemaakt door haar zus. Ze heeft het hun cadeau gedaan toen ze twaalf en een half jaar getrouwd waren.
Hans schraapt zijn keel. Connie kijkt hem aan. Zijn vreemde gedrag maakt haar zenuwachtig.
‘Je weet,’ begint Hans, ‘dat ik de laatste tijd wel eens op bezoek ga bij een bewoonster in mijn postroute.’ Hij lijkt zijn woorden zorgvuldig te kiezen.
Connie fronst. Ze heeft al verschillende keren duidelijk laten merken dat ze niet blij is met zijn bezoekjes aan die vrouw. En telkens heeft hij dat afgedaan met ‘ach, het heeft niets te betekenen. Heeft dat mens eens een verzetje.’ Zou hij dan toch iets te bekennen hebben over die ‘onschuldige’ bezoekjes?
‘Vandaag kwam ik achter haar echte naam,’ gaat Hans verder. Hij laat even een pauze vallen en zegt dan zachtjes: ‘Joke Bakhuis.’
Connie voelt de adem in haar keel stokken. Ze kan geen woord uitbrengen. Joke Bakhuis! Ze springt op van haar stoel en begint in de keuken te rommelen. Ze ruimt de vaatwasser uit en weer in, schenkt een biertje in voor Hans, zet die zonder iets te zeggen voor zijn neus, en gaat druk met pannen in de weer. Ze voelt de blik van Hans in haar rug. Ze wil hem van alles vragen, maar tegelijkertijd heeft ze het gevoel dat ze de antwoorden niet wil weten.

(meer…)