Kort verhaal: De verzorger

Uitgeverij LetterRijn organiseerde de wedstrijd Tales of the Unexpected, voor verhalen in de stijl van Roald Dahl. Er waren 237 inzendingen! Daaruit werd een longlist van 64 verhalen gemaakt, waar mijn verhaal bij zat! Mijn verhaal haalde niet de shortlist van 30 verhalen, die in een bundel gepubliceerd worden. Daarom kun je hier mijn verhaal lezen. Wees gewaarschuwd, het is een lange…

De Verzorger

Vijfendertig jaar waren ze al getrouwd. En elk van die vijfendertig jaren was hun leventje iets gewoner en saaier geworden. In de beginjaren gingen ze elk weekend uit en nam meneer Lakema zijn vrouw wel eens spontaan mee naar een restaurant. Na een tijdje kwamen ze alleen nog in een restaurant op hun trouwdag, omdat mevrouw Lakema daar de week van te voren elke dag naar hintte. Maar de laatste tijd ging hun trouwdag steeds ongemerkt voorbij. Na vijfendertig jaar ging elke dag ongemerkt over in de volgende. Of ze precies vijfendertig jaar getrouwd waren, wist ook niemand zeker, maar zo ongeveer moest het zijn.

Mevrouw Lakema had er een gewoonte van gemaakt zich buitenshuis te vermaken. In de loop der jaren had ze zich aangesloten bij een kaartclubje, een leesclubje en een breiclubje. Eigenlijk zaten in elk van die clubjes dezelfde vrouwen, dus het was gewoon één clubje dat op verschillende weekdagen steeds een andere hobby bezigde tijdens hun gebabbel.
Het beviel meneer Lakema wel dat zijn vrouw meestal van huis was, zolang ze maar op tijd kwam om voor het eten te zorgen. Zo kon hij lekker de hele dag in en om het huis rommelen, zonder interesse te veinzen in de roddelpraat van zijn vrouw.

Op een regenachtige dinsdagmiddag sloeg het noodlot toe. Terwijl mevrouw Lakema naar de buurvrouw om de hoek liep – dit keer voor de breiclub – gleed zij uit over de natte herfstbladeren waar de stoep mee bezaaid lag. Door het slechte weer was er niemand op straat om haar te hulp te schieten. Alleen haar kat Kriebel was haar achterna gekomen.
‘Kriebel!’ riep mevrouw Lakema uit. ‘Kom je me helpen, Kriebel? Wat ben je een lieverd.’ Ze gaf de kat een aai over zijn zwarte glanzende vacht. ‘Ga jij het baasje halen, zodat hij me overeind kan helpen?’
De kat miauwde, draaide zich om en vertrok richting huis. Zijn bazinnetje liet zich opgelucht terug op de grond zakken. Gelukkig, nu zou er snel hulp komen. Ze had echt even iemand nodig om haar overeind te helpen, want haar enkel deed flink zeer. Voorzichtig keek ze naar haar linkerenkel. Van schrik kneep ze meteen haar ogen dicht. Langzaam deed ze ze weer open om nog eens te kijken. Waarrempel, er stak een nummer 4 breinaald dwars door haar linkerenkel! Geen wonder dat die zeer deed.
Op dat moment kwam Kriebel weer aanlopen. De kat begon aan de bloedende enkel te likken.
‘Kriebel, heb je het baasje gehaald? Komt hij er al aan?’ vroeg mevrouw Lakema haar trouwe huisdier. Het antwoord was niet meer dan een voorzichtig kopje tegen haar hand.

Uiteindelijk was het mevrouw van de Wal, één van de leden van het clubje – ook onderweg naar de bijeenkomst – die mevrouw Lakema vond, liggend op de grond met een kat likkend aan de bebloede breinaald in haar enkel. Zodra zij uitgegild was, belde ze bij het dichtstbijzijnde huis een ambulance. Ze bleef bij haar vriendin totdat de ambulance kwam, maar ging toen gauw door naar het breiclubje om hen op de hoogte te brengen. Mevrouw Lakema kon de ambulancebroeders niet overhalen Kriebel mee te nemen in de ambulance, dus het beestje moest zijn weg naar huis maar weer vinden.

Pas bij aankomst in het ziekenhuis had mevrouw Lakema verschrikt bedacht dat ze haar man op de hoogte moest stellen. Daar zat meneer Lakema nu uitgebreid over te mopperen, terwijl hij zijn vrouw thuis op het bed installeerde. En dat was niet het enige wat hij te mopperen had.
‘Zulke schoenen trek je toch ook niet aan met dit natte weer. Kijk nou naar die zolen, spiegelglad! Het is een wonder dat je nooit eerder bent uitgegleden. De bladeren liggen ook overal. Ik ga morgenochtend eens met de gemeente bellen. Je zou denken dat ze de bladeren eens opruimen. Je ziet wat er kan gebeuren. Onverantwoord.’
Mevrouw Lakema liet hem maar door mompelen. Ze voelde zich een beetje verdwaasd door de sterke pijnstillers die ze had gekregen. Maar haar enkel deed nog steeds flink pijn. Omdat ze zowel een breuk als een wond had, zat er een soort halfopen gips om haar enkel en moest ze zes weken in bed blijven liggen. Zes weken! Toen de dokter het zei, was ze zich rotgeschrokken, maar nu voelde ze zich suf genoeg om zes weken achter elkaar te slapen. Ze liet haar man de kussens onder haar hoofd schikken. Ze merkte vaag dat hij een glaasje water op het nachtkastje zette en de dekens over haar heen trok. Toen hij ‘welterusten’ zei, probeerde ze het terug te zeggen, maar halverwege het woord viel ze in slaap.

De dagen daarna probeerde meneer Lakema zijn vrouw plichtsgetrouw te verzorgen. Hij was nooit het verzorgende type geweest. Hij had dat ook nooit nodig gevonden. De vrouw zorgt voor het eten en het huishouden; zo was het nu eenmaal. Het huishouden werd dan ook niet meer bijgehouden. Maar eten moest er toch op tafel komen. Hij nam dankbaar maaltijden aan van bezorgde buurvrouwen.

Na acht dagen was er voor het eerst geen buurvrouw langsgekomen met een lasagneschotel of een pan maaltijdsoep.
‘Wat eten we vanavond?’ vroeg mevrouw Lakema die middag opgewekt aan haar man.
Hij stond wat bedremmeld naast haar bed en haalde zijn schouders op.
‘Hebben we niks in huis?’ ging ze verder.
‘Nee, ik geloof het niet.’
‘Nou, dan moet je maar wat maken,’ zei mevrouw Lakema eenvoudig. Ze liet hem een lijstje maken van ingrediënten voor spaghetti met gehakt en stuurde hem naar de winkel.

Zodra meneer Lakema thuis kwam met de boodschappen, riep zijn vrouw hem vanuit de slaapkamer. Hij zette de boodschappentas neer en liep naar haar toe.
‘Heb je de boodschappen gehaald?’
‘Ja.’
‘Laat eens zien.’
‘Wil je de boodschappen zien?’
‘Ja, kom, laat eens zien wat je gekocht hebt.’
Meneer Lakema zuchtte en bracht de tas met boodschappen naar de slaapkamer. Zijn vrouw haalde een voor een de boodschappen te voorschijn.
‘Ik neem altijd het huismerk,’ zei ze terwijl ze het potje pastasaus uit de tas opviste. Ook had ze commentaar op de grootte van de verpakking spaghetti en op de voorgemaakte gehaktballen.
‘Je koopt toch geen kant-en-klare gehaktballen! Met gehakt en wat ei en paneermeel maak je zo zelf ballen. Dat is een stuk goedkoper, hoor.’
Haar man beet op zijn lip en liet haar opmerkingen van zich afglijden. Hij beet nog wat harder op zijn lip terwijl hij minutieuze instructies kreeg voor het bereiden van de spaghetti. Tegen de tijd dat ze hem eindelijk naar de keuken liet gaan kreeg hij zin om even naar buiten te lopen en heel hard te schreeuwen. Hij reageerde het af op de kat, die met een flinke duw van het aanrecht vloog.

Tijdens het koken werd meneer Lakema verschillende keren aan het bed van zijn vrouw ontboden. Dan wilde ze weten of hij het water wel eerst had laten koken voordat hij de spaghetti in de pan deed, en of hij wel het kookwekkertje gebruikte voor de exacte kooktijd. Het ontging haar niet dat zijn gezicht steeds roder – en uiteindelijk paarser – aanliep, maar ze wist dat hij zonder haar hulp nog geen ei zou kunnen bakken.

Het was tien over half zeven, 40 minuten later dan gewoonlijk, toen meneer Lakema eindelijk het tafeltje over het bed zette en daar een dampend bord spaghetti op neerzette. Het bord kwam iets te hard op het blad neer en zijn stem klonk iets te laag toen hij ‘eet smakelijk’ zei.
‘Eindelijk. Het duurde wel lang, hè? Heb je de spaghetti niet te lang gekookt? Daar wordt het plakkerig van.’
Mevrouw Lakema keek op en het gezicht van haar man deed haar eindelijk zwijgen. Ze schepte wat spaghetti op haar vork en draaide het behendig tegen een lepel. Na er zorgvuldig op geblazen te hebben, stopte ze de hap in haar mond. Haar man bleef naast het bed staan alsof hij op haar oordeel wachtte.
‘Hmm,’ zei ze uiteindelijk. ‘Er zit een vreemd smaakje aan.’
‘Dat is mijn geheime ingrediënt,’ glimlachte meneer Lakema.
Achterdochtig keek ze hem aan. ‘Je hebt zelf een ingrediënt toegevoegd? Wat dan?’
‘Dat kan ik niet zeggen, hè? Dan is het niet meer geheim! Eet smakelijk verder. Ik kom straks je bord wel halen.’

De volgende dag kwam mevrouw van de Wal van het clubje op ziekenbezoek bij haar vriendin. Ze wisselden wat koetjes en kalfjes uit. Maar zodra meneer Lakema even de deur uit was, zei mevrouw Lakema heel serieus tegen haar vriendin: ‘Ik denk dat hij me probeert te vergiftigen!’
Mevrouw van de Wal liet een nerveuze giechel horen. ‘Vergiftigen? Doe niet zo raar. Hoe kom je daar nou bij?’
‘Ik weet dat ik hem op zijn zenuwen werk. En gisteravond had hij spaghetti gemaakt die heel raar smaakte. Hij zei dat hij er een geheim ingrediënt aan toegevoegd had.’
Haar vriendin schoof haar stoel iets verder bij het bed vandaan. Het samenzweerderige toontje maakte haar ongemakkelijk. ‘Doe niet zo raar. Hij wil je echt niet om zeep helpen hoor. Dat zou ook wel een heel omslachtige manier zijn, hè?’ voegde ze er grappend aan toe.
Daarna zei ze al gauw dat ze weer moest gaan.

De week daarna zag mevrouw Lakema haar vriendinnen van de clubjes niet meer. Ze dachten vast dat ze gek was geworden. Maar zelf was ze er steeds meer van overtuigd dat ze het goed had. Haar man weigerde met haar samen te eten. Hij zei altijd dat hij zelf later wel at of het al op had. Ondertussen proefde ze in elk gerecht wel een raar smaakje. Zelfs in de boterhammen ‘s ochtends en ‘s middags leek iets extra’s te zitten. Maar ze was niet gek. Hij moest niet denken dat hij zo makkelijk van haar af zou komen.

De dokter kwam eens in de week controleren of alles goed ging. Dit keer keek hij wat bezorgd. Hij vertelde zijn patiënte dat ze wat pips zag. Ook vond hij haar bloeddruk en bloedsuiker wat laag. Meneer Lakema stond naast het bed over zijn schouder mee te kijken en knikte ernstig.
‘Is uw eetlust wel goed?’ vroeg de dokter bezorgd.
Mevrouw Lakema knikte. Haar man viel meteen in: ‘Ik zorg dat ze haar drie maaltijden per dag krijgt, hoor. Ze komt niets te kort!’
‘Hmm, goed. Zorg dat u genoeg eet. Ik kom volgende week weer. Maar belt u vooral als er iets is.’
Ze knikten allebei braaf en de dokter vertrok weer. Zodra meneer Lakema de dokter had uitgelaten, kwam hij terug de slaapkamer in.
‘Je hoort het: je moet meer eten. Ik zal een broodje voor je maken.’
Meteen verdween hij weer naar de keuken. Zijn vrouw zuchtte terwijl ze zich terug in de kussens liet zakken. Nog een broodje van hem, dat zal mijn gezondheid ten goede komen, dacht ze verbitterd.

Het duurde minder dan een week voordat de dokter terugkwam. Zes dagen om precies te zijn. Hij kreeg een verontrustend telefoontje van meneer Lakema. Hij kon zijn bericht niet geloven, dus snelde hij zelf naar het huis. Daar moest hij vaststellen dat zijn patiënte inderdaad dood was.

De dokter en meneer Lakema stonden elkaar nog wat schaapachtig aan te kijken over het lichaam van de vrouw, toen de deurbel ging. Meneer Lakema liet mevrouw van de Wal binnen.
‘Ik hoop niet dat ik ongelegen kom, maar ik zag toevallig de dokter langsrijden. Is alles goed?’
Hij schudde zijn hoofd en legde uit dat ze was overleden, waarna hij de geschokte vriendin naar de slaapkamer begeleidde.
‘Waar is ze aan overleden?’ vroeg zij meteen aan de dokter.
De dokter schudde ook zijn hoofd en zei: ‘Dat heb ik nog niet vastgesteld.’
Het afgrijzen was op haar gezicht te lezen toen mevrouw van de Wal meneer Lakema aankeek terwijl ze tegen de dokter zei: ‘Vorige week vertelde ze me dat hij haar vergiftigde. Ik geloofde haar niet.’
‘Vergif?’ vroeg de dokter verbaasd. ‘Het lijkt meer op een gebrek aan voedingsstoffen.’
‘Ik heb haar niet vergiftigd,’ zei meneer Lakema spottend.
‘Dat is wat ze zei,’ hield mevrouw van de Wal vol.
Kriebel snuffelde rond onder het bed. Meneer Lakema bukte zich om te kijken wat de kat daar uitspookte. ‘Kijk nou!’ riep hij uit. De dokter liet zich op zijn knieën zakken en keek onder het bed. Met open mond keek hij naar de spaghetti, lasagne, boerenkool en vele stapels boterhammen die daar lagen. ‘Ze heeft niks gegeten,’ fluisterde de arts.
Meneer Lakema aaide Kriebel, die aan een boterham knabbelde. ‘Ik heb zo mijn best gedaan om lekker voor haar te koken.’